
Psalm 128
(berijmd)
Vers 1
U mag men zalig heten,
Dien ‘s HEEREN vrees bekoort;
Die, met een goed geweten,
Steeds wandelt naar Zijn woord.
Gij zult uw nooddruft vinden
Door d’ arbeid van uw hand;
Wat g’ u moogt onderwinden,
Komt, naar uw wens, tot stand.
Vers 2
Uw echtvriendin zal bloeien,
Gelijk een wijnstok tiert,
Die, vruchtrijk onder ‘t groeien,
Uw huismuur dekt en siert.
Niets zal uw welvaart stuiten;
Uw kroost zal blij en fris,
Als groen’ olijvenspruiten,
Versieren uwen dis.
Vers 4
Blijft gij op Hem betrouwen,
Dan zult gij, op uw beê,
‘t Kroost van uw kroost aanschouwen.
In Israël zij vreê.