
37:3-4 In de tweede spreuk roept David op de HEERE te vertrouwen, te doen wat goed is, de aarde te bewonen en betrouwbaarheid (getrouwheid) net zo gewoon te laten zijn als het dagelijkse voedsel. Wie zich zo in de HEERE verlustigt, krijgt van Hem wat hij verlangt (de begeerten uws harten).
37:5-6 In de derde spreuk wordt de inhoud van de vorige spreuk in andere woorden herhaald en wordt er een belofte aan toe-gevoegd. David roept op met de levensloop (uw weg) tot de HEERE te gaan en Hem te ver-trouwen, dan zal Hij ingrijpen (het maken) in de nood (zie 1 Petr. 5:7, Matth. 6:25 en Luk. 12:22).
(Uitleg)
Het gaat in deze Psalm (echt oud-testamentisch) om aardse zegen. In de tijd van het Nieuwe Testament ligt dit heel anders. Toch gelden deze aardse beloften nog steeds, niet voor Israël als volk, maar voor de gelovigen. Denk aan vers 11: “De zachtmoedigen zullen de aarde erfelijk bezitten en zich verlustigen over grote vrede.” En vergelijk deze belofte met Mattheüs 5 vers 5: “Zalig zijn de zachtmoedigen, want zij zullen het aardrijk beërven.”
Deze belofte wordt uiteindelijk vervuld wanneer de nieuwe aarde de woonplaats van al Gods kinderen zal zijn.
ds. W. Pieters
Vers 7
Hij ziet zijn dag, den dag zijns oordeels, komen.
Men trekt het zwaard, men spant den boog, en mikt
Op ‘t zuchtend hart der onderdrukte vromen;
Daar ‘s bozen raad hen wreed ter slachting schikt,
In ‘t stout bestaan, in’t woeden niet te tomen,
Voor dat hem God verbijstert en verschrikt.
Vers 20
Het heillot, dat rechtvaardigen verkregen,
Vloeit af van God, hun sterkt’, als d’ angst hen knelt.
Hij laat, in tijd van nood, hen niet verlegen;
Des HEEREN hulp bevrijdt hen voor ‘t geweld
Van ‘t godd’loos rot; Hij komt hem gunstig tegen,
Die op Zijn macht een vast vertrouwen stelt.
Vers 12
‘t Alwijs bestuur bevestigt ‘s vromen gangen;
De hoge God keurt zijne wegen goed;
Hij zorgt voor hem, en waakt voor zijn belangen.
Hij wordt geenszins, om ‘t glibb’ren van zijn voet,
Of om zijn val, verworpen, maar vervangen,
En ondersteund door God, die hem behoedt.